Geschiedenis

De ontstaansgeschiedenis der Fabri Asgardis, ofwel van Fabras, is terug te voeren naar een ver en een met grijze nevel omsluierd verleden, naar de tijden dat er nog Hoge Elfen leefden… De eerste Fabrasser, Gil-Galad genaamd, was de laatste erfgenaam van de koningen van de Noldor in ballingschap en werd erkend als de Hoge Koning der Elfen in het Westen. Op een gegeven moment trokken sommigen der Noldor, een volk van uitstekende ambachtslieden en smeden bij uitstek, naar de westkant van de Nevelbergen, vlakbij de Westpoort van Moria en stichtten daar Eregion. De heer van deze reislustige Noldor in Eregion heette Celembribor, die afstamde van Feanor en die de bekwaamste onder dit volk van smeden was. Celembribor had dan ook het smeedgeheim rechtstreeks van Gil-Galad gekregen. Deze kostbare kennis gaf Celembribor, de tweede Grote Fabrasser, op zijn beurt weer door aan zijn onderdanen, de Elfsmeden van Eregion, die hierdoor het toppunt van hun vaardigheden bereiken konden.
Tot dan toe leefde dit land vlabij Mordor in welvaart en rust, maar met de komst van Sauron kwam daar al snel verandering in: enkele zwakke Elfsmeden van Eregion werden namelijk overgehaald door Sauron om de drie Ringen van Macht te smeden…


Dit was de ideale mogelijkheid voor de Zwarte Heerser om goed op te letten tijdens het gebeuren en hen zo het smeedgeheim te ontfutselen. Nadat Sauron dit tot dan toe met elk Elfenleven verdedigde geheim van Gil-Galad had ontsluierd, wendde hij nu zelf al zijn krachten aan om die Ene Ring in de Orodruin te smeden, waarover een zekere Tolkien ook nog eens een keer een verhaaltje heeft geschreven. Gil-Galad, hoewel niet direct verwijtbaar voor het ontstaan van de Macht van Sauron en de Grote Oorlog in het Oosten die daarna zou volgen, trok zich dit alles echter zeer aan en keerde terug naar zijn schuilplaats in het Verre Westen bij de Grote Zee om daar in stilte na te denken over wat er was gebeurd en over wat de toekomst brengen zou.
Daar, in het Verre Westen, kwamen de afstammelingen van Gil-Galad in contact met de Mensen, die steeds vaker op de Kustplaatsen in deze contreien te vinden waren omdat zij wegens het ook voor hen merkbare naderende onheil in het Oosten op zoek waren naar betere werelden en deze trachtten te vinden door met behulp van hun machtige schepen alle zeeen af te varen.
Toen het merendeel van zijn inmiddels grote familie besloot om amen met de Mensen voorgoed Midden-Aarde te verlaten en Gil-Galad zag dat de Mensen, hoewel grauw van gelaat, respectvolle en betrouwbare lieden waren, begreep hij dat de toekomst van zijn nazaten goed zou zijn.
Nadat dezen op een augustusmorgen het zilte nat opvoeren en daarmee Midden-Aarde en hun grootvader Gil-Galad verlieten, besloot deze laatste, samen met de beroemde Celembribor en enkele overgebleven afstammelingen, om toch nog zijn verleden te gaan wreken. Zo trok hij samen met hen op naar het Oosten en wel naar Imladris, waar het leger van dit Witte Bondgenootschap over de Nevelbergen trok en Sauron in de slag van Dagorlad een nederlaag toebracht, waarna de beslissende strijd van Barad-dur zou beginnen. Sauron werd in deze verschrikkelijke slag omvergeworpen door het Witte Bondgenootschap, maar de dappere Celembribor en Gil-Galad moesten deze overwinning met de dood bekopen; toen de laatste zandstormen op die bewuste middag voor de Grote Triomf wegtrokken, vonden de Witte Bondgenoten hun twee leiders, zij aan zij, in het hete zand van de Okerbergen. Beiden waren dodelijk getroffen door enkele oorlogsbijlen, voorzien van Saurons wapen. Hun lichamen lagen vlakbij elkaar en het adelijke, blauwe bloed van Celembribor vond het het wijze groene Elfenbloed van Gil-Galad. In het okergeelkleurige zand ontstond zo een prachtige plas tweekleurig bloed, welke de Bondgenoten diep ontroerde en hen grote kracht gaf om het vijandige leger met Sauron aan het hoofd alsnog te verslaan: zij smeerden het donkerblauw/donkergroen-kleurig mengsel op hun wapens in de vorm van twee smidshamers en trokken richting het het Oosten en zo geschiedde het dat met dezelfde hamer als waarmee de Zwarte Heerser die ene Ring in de Orodruin had gesmeed, zijn schedel op negen plaatsen werd ingeslagen…

En zo eindigde de Tweede Era in Midden-Aarde…

Als we dan deze magische wereld en het begin van de Derde Era in Midden-Aarde achter ons laten en een flinke tijdsprong maken, zien we de familietak van Gil-Galad terug in de wereld van de Mensen en wel in de Keltische regio der Lage Landen, alwaar zij, net als hun Grote Elfen-voorouders -al filosoferend in stilte over de dingen des levens- hun grote smeedkunst bedreven. Zij stonden in groot aanzien, omdat zij, naast enorm sterk, ook een wijsheid hadden die die van vele koningen overtrof. De hele week waren zij druk bezig met smeden, maar op de laatste twee dagen van de week, brachten zij hun tijd in ontspanning door, door de in die tijd inmens populaire plaatselijk georganiseerde roeiwedstrijden tussen de verschillende Keltische stammen met overmacht te winnen. Dit soort wedstrijden werden hier vaak gehouden omdat er enerzijds veel water was en anderzijds omdat men zich in die tijden nogal eens placht te vervelen, zeker wanneer iemand weer eens de dobbelstenen was kwijtgeraakt. (Dobbelen was namelijk het tijdverdrijf bij uitstek.) De gespierde smidslichamen van Gil-Galads nazaten was evenwel niet de enige reden voor hun (roei)successen. Hun sterke onderlinge vriendschap bleek namelijk van doorslaggevende betekenis te zijn. Dit is eigenlijk beter uit te leggen door het tegendeel te demonstreren. De Keltische stammen waartegen ze moesten roeien waren namelijk ook geen mietjes! Steker nog, ook zij waren een onverschrokken volk dat nergens voor terugdeinsde…
Hun zwak was echter het feit dat zij elkaar niet konden luchten of zien, dat zij derhalve geen eenheid vormden. En zo liepen de wedstrijden bij hen altijd uit op massale vechtpartijen in de boot, meestal vanwege de vraag wie nou eigenlijk de dobbelstenen weer was kwijtgeraakt. Van deze trieste knulligheid maakte de ijzeren discipline in de boot van Gil-Galads nazaten, alleen mogelijk gemaakt door hun tot ver buiten de regio vermaarde onderlinge vriendschap, natuurlijk handig gebruik.
Door al deze wedstrijden te winnen, verzamelden Gil-Galads afstammelingen een groot aantal ijzeren blikken. Op een gegeven moment wisten ze gewoon niet meer wat ze ermee moesten doen. De Noorse Goden, die toch toevallig in de buurt waren om alle roeiverenigingen der Lage Landen van hun namen te voorzien (Aegir, Skoll e.a), kwamen hen echter te hulp; hun beroemde smeedkunst, eeuwenlang doorgegeven en gekregen van de meest indrukwekkende voorouders, was ook hen niet ontgaan.
Daarom werden de negen beste smeden door de Noorse Oppergod Odin uitgenodigd om naar Asgard, het rijk der Goden te komen, dat zich in het midden van het heelal hoog boven de aarde bevond. Dit was de grootste eer die Gil-Galads nazaten zich maar kon wensen: nooit eerder waren er aardse lieden toegelaten in dit hemelse rijk. De Goden stelden hen voor om hun vergeten gewonnen blikken om te smelten en er stevig hekwerk voor de paleizen Ydalir, Alfheim, Walaksjalf en Fensalir van te smeden. De sympathieke smeden deden hun werk in stilte en leverden een knap staaltje van smeedkunst af door deze hekken net zo ondoordringbaar en stevig te maken als hun onderlinge vriendschapsband en op een wijze zoals alleen zij dat konden. In ruil voor hun daden kregen zij de titel “Smeden der Goden, Smeden van Asgard”, de hoogste titel voor een smid, welke later aan alle telgen van dit eeuwenoude geslacht zouden worden doorgegeven. De dag voordat zij weer naar het aardse zouden terugkeren, wandelden de Negen voor de laatste keer in het wijde Asgard toen zij in Landvidi, een ondoordringbaar bos en het natuurlijke paleis van de stille Vidar deze toekomstige Fenrisdoder tegenkwamen.
Vidar leek erg op hen: ook hij was sterk en verstandig rustig. Die middag spraken zij weinig, maar zij begrepen elkaar uitstekend. Toen zij de dag daarna weer naar de Lage Landen terugkeerden, bleef de stille Vidar in hun geest hangen…
De Smeden van Asgard, nog steeds de Noorse Goden en met name Vidar vererende, leefden na deze bijzondere gebeurtenis zo’n 600 jaren in harmonie met elkaar en zij bleven de regiowedstrijden in stilte winnen. Na deze rustige tijd kwamen de Romeinse bezetters en met hen de Romeinse wetten, gebruiken en gewoontes in onze Regio en vonden vier jonge smeden dat ze zich in een vereniging moesten gaan organiseren omdat dit belastingtechnisch voordeliger uitkwam.
Toen er een naam voor hun vereniging moest worden gezocht, hielden ze natuurlijk hun vermaarde titel. Deze werd echter door toedoen van de Romeinse mode van die tijd gelatiniseerd. Sinds die 3de oktober in het jaar 1 v. Chr. heetten zij dan ook niet meer de “Smeden van Asgard” maar de “Fabri Asgardis”, of wel “Fabras” (FABRi ASgardis).

(De slimmen onder ons zullen wel weer hebben opgemerkt dat we laatst dus ons 400ste lustrum hebben gevierd. Dat klopt. Het was een alleraardigst feestje.)

Ook met hun “nieuwe” naam bleven de Fabras winnen en zoals dat hoort bij overwinningen werd er veel gezongen als er weer eens een felbeerde titel werd behaald. Er was elk jaar echter een speciaal lied dat alleen werd gezongen als de nieuwe lichting van leerling-smeden van een bepaald jaar hun eerste blik hadden getrokken. Door deze voor smeden zeer belangrijke gebeurtenis werden de leerlingen opgenomen in de Asgardisch Smedengilde (Collegium Fabrorum Asgardis) en maakten zij tevens kans om te worden geselecteerd voor de boot met de snelste Fabrassers. Hun overwinningslied werd een ode aan de vriendschapsband die de jonge smeden eerst hadden moeten smeden met elkaar.
Men was onder de Fabras namelijk nog steeds van mening dat er eerst een vriendschapsband moest worden gesmeed als vereiste om hard te roeien. De succesformule van Fabras’ overwinningen bleef, zelfs na al die eeuwen, intact: wil je winnen, dan moet je eerst smeden en wil je smeden, dan moet je een smid zijn.

Deze simpele doch geniale filosofie is ook op die 3e oktober in het jaar 1 v. Chr. gelatiniseerd in de volgende spreuk:

“Remigium obliviscere potest, qui non procudit.”

(“Hij, die niet heeft gesmeed (=hij, die zich niet heeft ingezet voor de vriendschap) kan het roeien wel vergeten.”)

Echter, de jonge nieuwe smeden van het jaar 99 na Chr. waren na het behalen van hun eerste overwinning en na het belachelijk grote feest dat hierna werd georganiseerd (Het was namelijk ook het 100-jarig bestaan van de vereniging Fabras) zo gelukkig dat zij al snel in een voor smeden TE bewelmende toestand terecht kwamen. Hierdoor vergaten zij octrooi aan te vragen voor hun wonderschone lied, waar 1900 jaar later de Liederen Commissie van de sinds 1961 opgerichte vereniging “Vidar” handig gebruik van heeft gemaakt door er het jaarlied van de lichting 1999 van te maken. Zo zijn er nog duidelijke elementen in dit jaarlied die herinneren aan deze vervlogen tijden. (De passage “smeed 99 nu de jaarband” is bijvoorbeeld rechtstreeks gecopieerd.)

U heeft nu een klein gedeelte van onze indrukwekkende historie te horen gekregen. Zoals Gil-Galad ook vond, het verleden is belangrijk, doch ook aan de toekomst zal men moeten denken.

Daarom zal elke nieuwe lichting van Fabras haar best doen om de indrukwekkende prestaties van haar oude familiegeslacht in ere te houden, te evenaren en (als ze echt denken dat ze wat zijn) te verbeteren.